“Kom”, zegt mijn vrouw, “we gaan naar het IJ achter het centraal station en nemen daar de boot naar IJmuiden.”
Naar IJmuiden? Het is maandag en ik hoef inderdaad niet naar mijn werk vandaag, maar dat betekent niet dat ik niets te doen heb. Ik heb een lange “to do lijst”, veel verplichtingen en veel verantwoordelijkheden. Een dagje uit? Dat gaat zo maar niet.
Tien minuten later lopen we door de Jordaan in de richting van het centraal station en ik vertel mijn vrouw hoe ik heb leren spijbelen. Ik zat in de vijfde klas van de middelbare school en ik zal ongeveer zeventien jaar geweest zijn. Het was op één van de eerste zonnige voorjaarsdagen in mei, tien over tien, de ochtendpauze; en Dick Jorissen, domineeszoon, zei tegen mij: “Kom, we gaan naar Utrecht, een pilsje drinken aan de Oude Gracht.” Ik keek hem aan of ik het in Keulen hoorde donderen, maar niet veel later waren we toch in Utrecht. Met de trein, of liftend vanuit Amersfoort? Ik weet het niet meer. We zaten in de bocht van de Oude Gracht aan het water, vlakbij de bibliotheek. De zon scheen en Dick hief het glas om te proosten. “Wat zit je nou sip te kijken man, alsof je je laatste oortje versnoept hebt; de zon schijnt, het water kabbelt, de bomen ontluiken. Geniet van je bier.” Het duurde even, maar langzaam ontdooide het arbeidsethos. Nog bedankt, Dick, voor die inwijding.
Bij de pier van IJmuiden is een stormachtige wind. Het zilte zeewater spat om onze oren. Zoe fotografeert een enorme zwerm zeemeeuwen die krijsend opvliegt en dan weer neerstrijkt op het strand. Ik kijk naar het silhouet van Zandvoort in de verte waar donkere wolken langs trekken en strepen van regen. Even later is de lucht weer strakblauw. Koude, harde wind in ons gezicht, kitesurfers op het water die spectaculair hoge sprongen maken. En dan, in een strandtent, een kop warme erwtensoep; met als toetje warme chocolademelk met sinaasappellikeur. Op de boot, terug naar Amsterdam, kleurt de lucht rood van de ondergaande zon.
Iemand vroeg eens aan Sogyal Rinpoche hoe de kloof tussen spirituele beoefening en dagelijks leven te overbruggen. Naast het belang van discipline en toewijding wees hij erop dat het belangrijk is om zo geïnspireerd en creatief mogelijk te oefenen.
“In zeker opzicht is meditatie een vorm van kunst, en je zou meditatie moeten benaderen met de bezieling, het plezier en de vindingrijkheid van een kunstenaar. …. Er zijn zoveel manieren om je meditatie te inspireren.”
De dingen die hij vervolgens noemt lijken een verslag van onze wandeling in IJmuiden, die blauwe maandag. En hij besluit met de woorden:
“Wees alert op elk teken van schoonheid of gratie, maar hecht er niet aan ……. Zo word je gaandeweg een meester over je eigen gelukzaligheid, een alchemist van je eigen vreugde.”
Ik ben net zo’n workaholic als mijn vader. Er is zo veel wat ik moet of denk te moeten. Geen tijd om alert te zijn op tekenen van schoonheid of gratie. Ik heb belangrijker dingen aan mijn hoofd; denk ik. Mijn vader had het geluk dat de zondagsrust toen nog heilig was; één dag per week werd hij gedwongen om te stoppen. Hij had God en de zondag. Ik heb mijn vrouw en de maandag.
Ik wens iedereen deze week, elke week, een stille zondag of een blauwe maandag.
Meindert

Citaat uit: “Het Tibetaanse boek van leven en sterven”, van Sogyal Rinpoche, blz. 95